handgemenen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·ge·me·nen

Bijvoeglijk naamwoord

handgemenen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord handgemeen
    • Handgemenen in de rechtszaal, ze doen zich `geregeld' voor, zegt een woordvoerder van de Raad voor de Rechtspraak. [1]

Verwijzingen