hamelbout

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·mel·bout
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hamelbout hamelbouten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hamelbout m [1]

  1. schapenbout van een gecastreerd mannelijk schaap
    • Bent u, zoals ik, een kleine eter, mijdt dan elk concert waarop Richard Strauss' Till Eulenspiegels lustige Streiche staat geprogrammeerd. De gevolgen zijn onoverzienbaar: witte en zwarte pensen, koekebakken met Anderlechtse boter, soesels die zwemmen midden in de nieren, hanekammen, kalfszwezerikken, ossesteerten, schapepoten met veel ajuin, kruidnagelen en muskaat, het geheel goed doorstoofd met drie pinten witte wijn, kalfsworsten, varkensoren en hamelbout, bekroond door een rozenkrans van ortolanen, met snippen als paters en een vette kapoen als credo, met een pannekoek van zestig (zestig!) eieren als nagerecht, het geheel weggespoeld door een paar vaten dobbele peterman.[2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Martin van Amerongen 14 augustus 1992