hachelijk
Uiterlijk
- ha·che·lijk
- In de betekenis van ‘gevaarlijk’ voor het eerst aangetroffen in 1600 [1]
- afgeleid van hacht (gevaar, hechtenis) met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e- [2]
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | hachelijk | hachelijker | hachelijkst |
| verbogen | hachelijke | hachelijkere | hachelijkste |
| partitief | hachelijks | hachelijkers | - |
hachelijk
- aan aanmerkelijk gevaar of risico blootstaand
- De tocht over het ijsveld was een hachelijke onderneming.
- hach, hachje, gevaarlijk, link
- Het woord hachelijk staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "hachelijk" herkend door:
| 96 % | van de Nederlanders; |
| 96 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ "hachelijk" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ hachelijk op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be