habituer
Uiterlijk
- via Oudfrans abituer geleend van Middeleeuws Latijn habituare, via Laat-Latijn habituari; afgeleid van Latijn habitus [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| habituer |
habituais |
habitué |
| eerste groep | volledig | |
habituer
- iemand een gewoonte doen nemen; doen wennen
- wederkerend s'~: zich een gewoonte aanleren
- wederkerend s'~: wennen
- «Je commence à m’habituer à la syntaxe du wiki.»
- Ik begin te wennen aan de syntax van de wiki.
- «Je commence à m’habituer à la syntaxe du wiki.»
- ↑ habituer (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.