habiller
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| habiller |
habillais |
habillé |
| eerste groep | volledig | |
habiller
- overgankelijk aankleden [2]
- overgankelijk van kleren voorzien
- onovergankelijk afkleden; goed staan
- wederkerend s'~ zich aankleden [3]