haantje-de-voorste

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • haan·tje-de-voor·ste
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord haantje-de-voorste haantjes-de-voorste

Zelfstandig naamwoord

haantje-de-voorste o dim. tant.

  1. iemand die de neiging heeft de eerste te willen zijn
    • Hij is altijd al een haantje-de-voorste geweest, maar nu maakt hij het wel erg bont. 

Gangbaarheid