haal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • haal
enkelvoud meervoud
naamwoord haal halen
verkleinwoord haaltje haaltjes

Zelfstandig naamwoord

haal m

  1. een heftige beweging met de gehele arm of poot
    De kat gaf hem een haal in zijn gezicht.
  2. een onbeheerste streep met potlood of pen
    De leraar zette een grote haal door de spelfout.

Werkwoord

vervoeging van
halen

haal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van halen
    Ik haal.
  2. gebiedende wijs van halen
    Haal!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van halen
    Haal je?