haal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • haal
enkelvoud meervoud
naamwoord haal halen
verkleinwoord haaltje haaltjes

Zelfstandig naamwoord

haal m

  1. een heftige beweging met de gehele arm of poot
    • De kat gaf hem een haal in zijn gezicht. 
  2. een onbeheerste streep met potlood of pen
    • De leraar zette een grote haal door de spelfout. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
halen

haal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van halen
    • Ik haal. 
  2. gebiedende wijs van halen
    • Haal! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van halen
    • Haal je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.