Naar inhoud springen

haïr

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
haïr
haïssais
haï
tweede groep volledig

haïr

  1. overgankelijk verafschuwen
  2. overgankelijk haten
    «Il est impossible de vivre en paix avec des gens qu’on croit damnés ; les aimer seroit haïr Dieu qui les punit.»[2]
    Het is onmogelijk in vrede te leven met mensen waarvan je gelooft dat ze verdoemd zijn; van hen houden zou hetzelfde zijn als de god haten die hen straft.
  • dit woord heeft een h aspiré: er vindt geen liaison plaats met de eindmedeklinker van het woord ervoor
  1. haïr (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994) op Wikipedia (fr) op de website cnrtl.fr op Wikipedia (fr).
  2. Bronlink Weblink bron “Du Contrat Social”, digitale editie gemaakt naar de eerste druk op de Franse Wikisource (1762), 320-321