gunstkoopje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gunst·koop·je
enkelvoud meervoud
naamwoord gunstkoopjes
verkleinwoord gunstkoopje gunstkoopjes

Zelfstandig naamwoord

gunstkoopje o dim. tant.

  1. (handel) iets wat men voordelig koopt
    • Die wagen was werkelijk een gunstkoopje 
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyperoniemen

Gangbaarheid

45 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.