gum

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gum
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gum gummen
verkleinwoord gummetje gummetjes

Zelfstandig naamwoord

gum o

  1. (teken- en schrijfmateriaal) een object waarmee potloodtekeningen weer weggehaald kunnen worden
    Met de gum kon hij die foutieve lijn uitwissen.
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Tsjechisch

Uitspraak


Woordafbreking
  • gum

Zelfstandig naamwoord

gum

  1. genitief meervoud van guma