guit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • guit
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘deugniet’ voor het eerst aangetroffen in 1501 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord guit guiten
verkleinwoord guitje guitjes

Zelfstandig naamwoord

guit m [3]

  1. grappig persoon en vooral een grappig klein kind
    • Het was lachen geblazen bij Babbelonië, het AVRO-spelletje dat tussen 1981 en 1984 zo'n zeven miljoen kijkers trok. Vooral als Jos Brink uit de bocht vloog. Hij speelde de rol die in de jaren zestig en zeventig in Wie van de drie voor Albert Mol was weggelegd: de guit die zo leuk dubbelzinnig kon doen en toch de lieveling van het AVRO-publiek bleef.[4] 
    • Is die kleine guit van een Arie Boomsma in het geniep getrouwd! Dat vind ik leuk van hem. Al hadden we de voortekenen allemaal kunnen zien; Arie werd ineens overal gespot met een en dezelfde yogalerares, en die yogalerares en Arie lieten allebei dezelfde tatoeage op hun lichaam zetten (zij op haar arm, hij half achter zijn oksel, de enige plek die nog vrij was). En ze plaatsten een paar foto's van elkaar op Instagram, waaronder ze dan zetten: 'Zo veel liefde' dit en 'Zo veel liefde' dat. (Al voelt Arie natuurlijk voor veel mensen, en sowieso voor veel wezens, liefde. [5]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.

Verwijzingen