Naar inhoud springen

gueuler

Uit WikiWoordenboek
  • Afgeleid van gueule “bek”, “mond” met het achtervoegsel -er.
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gueuler
gueulais
gueulé
eerste groep volledig

gueuler

  1. (spreektaal) schreeuwen
    «Ça gueule chez le voisin, il est encore en train de taper sur sa femme!»
    Er wordt gegild bij de buurman, hij is zijn vrouw weer aan het slaan! [1]
  2. (spreektaal) protesteren
    «Hé les mecs, faut gueuler s'ils nous ferment la salle de sports pendant les vacances!»
    Hé jongens, we moeten protesteren als ze de sporthal sluiten in de vakantie! [1]