gruis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gruis
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘verbrokkelde stof’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1330 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord gruis gruizen
verkleinwoord gruisje gruisjes

Zelfstandig naamwoord

gruis o

  1. kleine stukjes steen, grover dan stof, fijner dan brokken steen
    • Bij het afbreken van het huis kwam de hele tuin onder het gruis 
     De afdaling vanaf Sonora Pass viel me erg tegen, het pad was opvallend lastig met veel los gruis waardoor ik goed moest opletten om niet van de steile vulkaanhelling af te glijden.[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gruizen

gruis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gruizen
    • Ik gruis. 
  2. gebiedende wijs van gruizen
    • Gruis! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gruizen
    • Gruis je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

Meer informatie