grootsprakerigers

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groot·spra·ke·ri·gers

Bijvoeglijk naamwoord

grootsprakerigers

  1. partitief van de vergrotende trap van grootsprakerig
    • Dat is iets grootsprakerigers...