grootakkoord
Uiterlijk
"c-e-g"
- groot·ak·koord
- samenstelling van groot en akkoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | grootakkoord | grootakkoorden |
| verkleinwoord | grootakkoordje | grootakkoordjes |
het grootakkoord o
- (muziek) een drie- of meerklank met minimaal: “een begintoon (prime), een grote terts en een reine kwint”
- Een toonladder met zowel klein- als grootakkoorden.
|
|
- Het woord 'grootakkoord' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.