grommelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking

grom·me·len

Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
grommelen
grommelde
gegrommeld
zwak -d volledig

Werkwoord

grommelen

  1. inergatief steeds weer grommen, een knorrend, brommend of dof rollend geluid maken
    • In de verte grommelde het onweer. 
  2. overgankelijk op grommende toon uitspreken
    • Boos grommelde hij een excuus en liep snel verder. 
  3. inergatief stilletjes onvrede laten blijken
    • Er wordt al lang gegrommeld over de lange werktijden. 

Gangbaarheid

32 % van de Nederlanders
81 % van de Vlamingen.