groenteman

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groen·te·man
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord groenteman groentemannen
verkleinwoord groentemannetje groentemannetjes

Zelfstandig naamwoord

groenteman m

  1. (handel) (beroep) iemand die groente en fruit verkoopt
    • In de samenstelling met "-boer" is nog te zien dat in de opkomende steden, de groenten vroeger werden aangeleverd door boeren, die hun producten van het veld naar de stad vervoerden om ze daar te verkopen. In plaats van "groenteboer" hoort men daarom soms het 'nettere' groenteman. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.

Meer informatie