grijnzen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grijn·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vals lachen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
grijnzen
grijnsde
gegrijnsd
zwak -d volledig

Werkwoord

grijnzen

  1. inergatief het gezicht tot een grijns vertrekken
    • Hij zat de hele tijd te grijnzen. 

Zelfstandig naamwoord

grijnzen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord grijns

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen