grijns

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grijns
enkelvoud meervoud
naamwoord grijns grijnzen
verkleinwoord grijnsje grijnsjes

Zelfstandig naamwoord

grijns v/m

  1. een vertrekking van het gelaat die boosaardigheid of leedvermaak verraadt
    • "Ja, dat zal wel!" zei hij met een grijns. 

Werkwoord

vervoeging van
grijnzen

grijns

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grijnzen
    • Ik grijns. 
  2. gebiedende wijs van grijnzen
    • Grijns! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grijnzen
    • Grijns je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.