grief

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grief
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘klacht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1301 [1]

Werkwoord

vervoeging van
grieven

grief

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grieven
    • Ik grief. 
  2. gebiedende wijs van grieven
    • Grief! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grieven
    • Grief je? 

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen