gretigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gre·tig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gretigheid -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gretigheid v

  1. enthousiasme waarmee iets waarnaar verlangd is, begroet wordt
    • De hongerige man begon met gretigheid het voedsel op te schrokken. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.