graveren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gra·ve·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘figuren inkrassen’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • afgeleid van het Franse graver (met het achtervoegsel -eren) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
graveren
graveerde
gegraveerd
zwak -d volledig

Werkwoord

graveren

  1. overgankelijk met een scherp gereedschap iets krassen in glas of metaal
    • Zij kreeg voor haar geboorte een zilveren beker waarin haar naam gegraveerd was. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Deens

Woordafbreking
  • gra·ve·ren

Zelfstandig naamwoord

graveren, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van graver