graveersel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gra·veer·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord graveersel graveersels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

graveersel o [1]

  1. resultaat van graveren
    • Hiertoe brenge ik die betuiging, dat op dien eenen steen zeven oogen zijn zouden, en dat de Heere zelve zijn graveersel zou graveeren. Over die zeven oogen hebben ook de uitleggers allerleiie opvattingen verzonnen. Dog voor zo verre het Hebreeuwsche woord zo wel fonteinen, springbronnen, als oogen betekent; en het geen door graveersel graveeren is overgezet, eigenlijk zegt openingen openen; en dit bijzonderlijk ook gebruikt wordt van het opwellen en voortvlieten des waters uit een bron(†): zo zoude ik dit gezeg liever dus vertaalen. In dien eenen steen zullen zeven wellen zijn, en ik zelve zal zijnen stroom openinge geeven, zegt de Heer der heirschaaren. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Verwijzingen