Naar inhoud springen

grapje

Uit WikiWoordenboek
  • grap·je

hetgrapjeo

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord grap
     'Jezus, ik maak niet eens een grapje.[1]
     'Het was maar een grapje,' zei ze.[1]
     'Weet je,' zei ze, 'ik ben blij dat ik je met een groen gezicht heb geschilderd.' Ze had het als grapje bedoeld; ze had niet bedoeld dat ze hem een groentje vond of misselijkmakend.[1]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[2]
  1. 1 2 3
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be