gooi

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gooi

Werkwoord

vervoeging van
gooien

gooi

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gooien
    • Ik gooi. 
  2. gebiedende wijs van gooien
    • Gooi! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gooien
    • Gooi je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.