golem

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • go·lem
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Hebreeuws, in de betekenis van ‘joodse sagefiguur, tot leven gebrachte kleifiguur’ voor het eerst aangetroffen in 1886 [1]
  • Herkomst: Hebreeuws [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord golem golems
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

golem v/m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) (in joodse folklore) wezen in de vorm van een mens dat tot leven gewekt kan worden door een kabbalistische spreuk met de Godsnaam, in het bijzonder het wezen dat gecreëerd zou zijn door Jehoeda Löw ben Betsalel
  2. (Jiddisch-Hebreeuws) sukkel
Vertalingen

Gangbaarheid

51 % van de Nederlanders;
55 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen