goeierd

From WikiWoordenboek
Jump to navigation Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • goei·erd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord goeierd goeierds
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

goeierd m [1]

  1. een heel aardig en vriendelijk persoon die misschien wel te goed is voor deze wereld
    • Je kunt het zo gek niet bedenken of er komt narigheid van: in dit geval vla. In de supermarkt zag ik een stel van een jaar of 20 knus boodschapjes doen. De knaap, een lange, blonde goeierd, droeg een mandje met rijst, twee kipfiletjes, wokgroente; het meisje, klein en mooi, op hooggehakte laarsjes, trippelde naast hem voort.[2] 
    • De kleine vorstin had tijdens de hele discussie en gedurende de rest van de maaltijd gezwegen en nu eens geschrokken gekeken naar de freule, dan weer naar haar schoonvader. Toen ze van tafel opstonden, pakte ze de hand van haar schoonzusje en trok haar mee naar een andere kamer. - Wat een scherpzinnig man is die vader van jou, daarom ben ik misschien wel bang voor hem. — Ach, het is zo'n goeierd, zei de freule.[3]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Volkskrant Sylvia Witteman 6 april 2016
  3. Tolstoj, L.N. Oorlog en Vrede Vertaald uit het Russisch door Yolanda Bloemen en Marja Wiebes 2006 ISBN 9028240462 pagina 133