godvruchtigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • god·vruch·tig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord godvruchtigheid godvruchtigheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

godvruchtigheid v [1]

  1. (religie) de mate waarin iemand vroom en gelovig is; de mate waarin iemand god eert
     Door onze leden te louteren en te verbeteren streven wij er ten derde naar ook de gehele mensheid te verbeteren, waaraan we via onze leden een voorbeeld stellen van godvruchtigheid en deugdzaamheid, en aldus streven we er met al onze krachten naar het kwaad dat in de wereld heerst te bestrijden.[2]
     De afzenders doen een dringend beroep op de filmregisseur en zijn team om de wens van de nabestaanden in te willigen en af te zien van de ‘op sensatiebeluste’ verfilming van de aanslag. ‘Mocht u de afschuw en het verdriet van de betrokken families negeren en de film toch opnemen, dan verzoeken wij u dringend hun persoonlijkheidsrechten en godvruchtigheid in acht te nemen, net als de voortdurende menselijke waardigheid van de overledenen. Anders zullen we onmiddellijk aangifte doen en via de rechter vragen de uitzending van de film te verbieden.’[3]
  2. iets wat getuigt van vroomheid
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Leo Tolstoj op Wikipedia “Oorlog en Vrede” (1869), G.A. van Oorschot op Wikipedia, ISBN 9789028251151
  3. Bronlink geraadpleegd op 16 januari 2022 Weblink bron Caspar Naber “‘Slechtste’ Duitse regisseur verfilmt bloedbad Hanau, stad en nabestaanden ontzet” (14-03-2021), Tubantia