gluten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • glu·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kleefstof uit graankorrels’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1770 [1]
  • van Latijn [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord gluten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gluten o

  1. (biochemie) graanlijm, eiwitten in graankorrels
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • glu·ten
enkelvoud meervoud
gluten glútenes

Zelfstandig naamwoord

gluten m

  1. (biochemie) gluten
Synoniemen

Verwijzingen