glunder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • glun·der
stellend
onverbogen glunder
verbogen glundere
partitief glunders

Bijvoeglijk naamwoord

glunder

  1. (verouderd) helder, schoon, stralend
    • Zij was een glundere boerin. 

Bijwoord

glunder

  1. opgewekt, helder
    • Hij stond er glunder bij te kijken, 

Werkwoord

vervoeging van
glunderen

glunder

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van glunderen
    • Ik glunder. 
  2. gebiedende wijs van glunderen
    • Glunder! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van glunderen
    • Glunder je? 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.