gluiper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • glui·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gluiper gluipers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gluiper m (scheldwoord) iemand die gluipt (slinkse streken uithaalt, vals is en/of huichelachtig kijkt)

Synoniemen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.