gloeiing

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gloei·ing
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gloeiing gloeiingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gloeiing v [1]

  1. een warme gloed; een golf van warmte
    • ‘Hij drukte zich tegen haar aan. Een gloeiing trok langs zijn gezicht. Het was of een lauwe wind hem streelde.’ [2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.

Verwijzingen