glitteren
Uiterlijk
- glit·te·ren
- Van Engels glitter ww , mogelijk ook beïnvloed door Duits glitzern. Aanvankelijk afgekeurd als anglicisme èn germanisme.[1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| glitteren |
glitterde |
geglitterd |
| zwak -d | volledig | |
glitteren
- een blinkend. fonkelend licht afgeven of weerkaatsen
- Alles glitterde in de zon.
- fonkelen, glanzen, glimmen, glinsteren, glisteren, schitteren [1]
- Het woord glitteren staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.