glinsterend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • glin·ste·rend

Werkwoord

vervoeging van: glinsteren
verbogen vorm: glinsterende

glinsterend

  1. onvoltooid deelwoord van glinsteren
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen glinsterend glinsterender glinsterendst
verbogen glinsterende glinsterendere glinsterendste
partitief glinsterends glinsterenders -

Bijvoeglijk naamwoord

glinsterend [1]

  1. van een voorwerp dat het licht helder weerkaatst
    • - Van eerdere verkiezingen heb ik de gewoonte overgehouden het tv-geluid uit te zetten. Je hoort niets, maar doorziet des te meer. Het glinsterend oogwit van een satanisch-verongelijkte Krol. De doffe machteloosheid in de mondhoeken van Rutte tegenover de Groningers. Het kiespijnlachje van een gekrenkte Roos bij Jinek. Grondstof voor memes en gifjes. [2] 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Christiaan Weijts 10 maart 2017
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be