glibberen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • glib·be·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘glijden’ voor het eerst aangetroffen in 1632 [1]
  • frequentatief gevormd uit glippen met het achtervoegsel -er
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
glibberen
glibberde
geglibberd
zwak -d volledig

Werkwoord

glibberen

  1. met onvaste bewegingen glijden langs of met een oppervlak dat door vocht glad is
    • De voetballer glibberde door de modder. 
    • De regenworm glibbert door het zand. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Verwijzingen