Naar inhoud springen

gleed

Uit WikiWoordenboek
  • gleed
vervoeging van
glijden

gleed

  1. enkelvoud verleden tijd van glijden
    • Ik gleed. 
    • Jij gleed. 
    • Hij, zij, het gleed. 
     Ik gleed in dezelfde verlamming als toen en keek naar Milan.[1]
     Hij draaide zich om en zijn blik gleed weer over de schoorsteenmantel.[2]
89 %van de Nederlanders;
86 %van de Vlamingen.[3]