glazig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gla·zig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen glazig glaziger glazigst
verbogen glazige glazigere glazigste
partitief glazigs glazigers -

Bijvoeglijk naamwoord

glazig [2]

  1. als glas, op glas lijkend, glasachtig
  2. (figuurlijk) mentaal niet helemaal helder, wezenloos
    • Op die vraag gaf de student niet meer dan een wat glazige blik. 
     Glazig staarde ik voor me uit terwijl de suikers, vetten en zout in mijn bloedstroom terecht kwamen. Ik nam het overgebleven eten mee in een doggy-bag, stak de snelweg over en boekte een kamer in het gedateerde Best Western Motel.[3]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. glazig op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be