glazig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gla·zig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen glazig glaziger glazigst
verbogen glazige glazigere glazigste
partitief glazigs glazigers -

Bijvoeglijk naamwoord

glazig [2]

  1. als glas, op glas lijkend, glasachtig
  2. als door een onheldere glazen ruit, wezenloos
    • Op die vraag gaf de student niet meer dan een wat glazige blik. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen