glaucoom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • glau·coom
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘groene staar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1720 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord glaucoom -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

glaucoom o

  1. (medisch) een aandoening waarbij een verhoging van de druk in de oogbol onbehandeld tot gezichtsvelduitval en uiteindelijk tot blindheid leidt
    • Lijdt hij aan een glaucoom? 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders
88 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen