glasaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • glas·aal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord glasaal glasalen
verkleinwoord glasaaltje glasaaltjes

Zelfstandig naamwoord

glasaal m

  1. (vissen) Vroeg levensstadium van de aal waarin deze de vorm van een aal aanneemt. Ze zijn doorzichtig en hebben nog geen tanden.
Vertalingen

Gangbaarheid

64 % van de Nederlanders;
57 % van de Vlamingen.

Meer informatie