glander
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| glander |
glandais |
glandé |
| eerste groep | volledig | |
glander
- (spreektaal) zijn tijd verlummelen, rondhangen
- «Je sais glander, boire des pots au café et passer des week-end entiers devant la télé.»
- Ik weet hoe ik mijn tijd moet verknoeien, drinken in het café en hele weekends voor de tv moet hangen. [1]
- «Je sais glander, boire des pots au café et passer des week-end entiers devant la télé.»
- (spreektaal) voor noppes zitten te wachten [1]
- (spreektaal) doen
- «J'aime palper du blé sans rien glander.»
- Ik vind het fijn geld te beuren zonder iets uit te voeren. [1]
- «J'aime palper du blé sans rien glander.»