ging buiten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ging bui·ten

Werkwoord

vervoeging van
buitengaan

ging buiten

  1. enkelvoud verleden tijd van buitengaan
    • Ik ging buiten. 
    • Jij ging buiten. 
    • Hij, zij, het ging buiten.