gijzeling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gij·ze·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gijzeling gijzelingen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gijzeling v

  1. het gevangen houden of nemen van iemand ten einde iets af te dwingen
    • De gijzeling kwam door militair ingrijpen ten einde. 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • iemand in gijzeling houden
De man die sinds maandagmorgen half 10 mensen in gijzeling heeft gehouden in de Rembrandttoren in Amsterdam, is dood.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be