gieteling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gie·te·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gieteling gietelingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gieteling m

  1. merel
  2. rechthoekig stuk gegoten ijzer
Vertalingen

Gangbaarheid

27 % van de Nederlanders;
24 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be