giebel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een giebel.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gie·bel
enkelvoud meervoud
naamwoord giebel giebels
verkleinwoord giebeltje giebeltjes

Zelfstandig naamwoord

giebel m

  1. (vissen) Carassius gibelio, een bronskleurige zoetwatervis die lijkt op de kroeskarper
    • In die winkel worden giebels verkocht. 
  2. proestend gelach
    • De pogingen om een giebel te onderdrukken kunnen er voor zorgen dat je nóg meer moet lachen.[1] 
  3. iemand, meestal een tiener, die de gewoonte heeft om de haverklap in proestend gelach uit te barsten
    • De leraar zette uiteindelijk de twee giebels maar op andere plaatsen in de klas, want naast elkaar vormden ze een storend element. 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
giebelen

giebel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van giebelen
    • Ik giebel. 
  2. gebiedende wijs van giebelen
    • Giebel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van giebelen
    • Giebel je? 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
22 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. bl.81 Alle ogen gericht op ... / druk 1: omgaan met plankenkoorts By P. Wippoo, L. Citroen-Warners Published by Uitgeverij Boom, 2002 ISBN 9053527214, ISBN 9789053527214 111 pages