gibbon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

gibbon
Uitspraak
Woordafbreking
  • gib·bon
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘mensaap’ voor het eerst aangetroffen in 1784 [1]
  • uit het Frans [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord gibbon gibbons
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gibbon m [3]

  1. mensaap uit Azië
    • Het is choquerend nieuws: de apen zijn in gevaar. In alle apengeslachten, van gibbon tot gorilla dreigen binnen afzienbare tijd soorten uit te sterven, en de oorzaak ligt bij de soort die genetisch gesproken hun naaste familie is: de mens. Die duwt hen naar de rand van de afgrond door geen maat te houden met landbouw, mijnbouw en jacht in de bewuste leefgebieden. [4] 
Synoniemen
Hyperoniemen

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen