gezuig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zuig
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gezuig
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gezuig o

  1. het aanhoudend stofzuigen
    • Het geschrob en gezuig had ook al geen positieve invloed op hun hartslag, wat een goede indicator is voor iemands fysieke toestand. Een flinke wandeling daarentegen of een andere energieke inspanning, zoals werken in de tuin bijvoorbeeld, gedurende drie uur per week, had wel een positief effect op de gezondheid. [1] 
  2. het aanhoudend zuigen met de mond om voedsel of drank naar binnen te krijgen
    • Omdat ik niemand wil aanzetten tot drankzucht of rookverslaving, zal ik het in mijn recept hebben over een andere acquired taste , zoals de Britten zo deftig etenswaar benoemen waaraan je moet wennen. De artisjok is zo'n heerlijke groente waar vele mensen liever niet aan beginnen, vanwege al dat gepruts met de vingers, dat geknabbel en gezuig met de mond. [2] 
  3. aanhoudend pesten en treiteren
    • Dat was juist heel nuttig. Behalve de zure kankeraars van de PVV en een enkele angstige PvdA’er zal niemand het haar kwalijk nemen dat ze nu eindelijk reageerde op het koningshuisje pesten van Wilders. Wie treitert, kan de tik verwachten. Beatrix was het zat, al dat gezuig over haar kerstredes en over haar grootmoeder in de Tweede Wereldoorlog. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. De Standaard 17 MEI 2002 Stofzuigen maakt je moe, meer niet
  2. De Standaard 12 FEBRUARI 2005 Zuipschuit en stoomtrein
  3. NRC Frits Abrahams 13 januari 2012 Nuttige tik