gewonden
Uiterlijk
- ge·won·den
- vervoeging van winden: de stam met omvoegsel ge- -en en een klinkerwisseling i-o (IPAː /ɪ/ - /ɔ/)
| vervoeging van: | winden… |
| geen verbogen vorm | |
gewonden
- voltooid deelwoord van winden
de gewonden mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord gewonde
- ▸ Ik zag gewonden voor wie niemand iets deed.[1]
- ▸ Dan nog liever de extra broeikasgassen en de extra doden en gewonden die hoge snelheden onvermijdelijk met zich meebrengen.[2]
- ▸ Het zou toch best kunnen dat de miniatuurmaakster in deze adventstijd weer een bezoekje aan de kerk brengt om aan haar familie in Noorwegen te denken en te bidden voor clementie van de burgemeesters? De draden van Nella's verbeelding worden op een spoel gewonden en borduren gesprekken waarvan sommige stukjes losjes aan elkaar zijn genaaid.[3]
- Het woord gewonden staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ “Kruistocht in spijkerbroek”
(1973), Lemniscaat (uitgeverij), ISBN 9789060691670 - ↑ Hans Achterhuis“De erfenis van de utopie” (1998), Ambo/Anthos uitgevers
, ISBN 9026315244 - ↑ Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx“Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789021809526