gewapper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·wap·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gewapper
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gewapper o [1]

  1. aanhoudend heen en weer laten bewegen (van de handen) alsof het door de wind wordt voortbewogen
    • Ik leg mijn gezicht op het koele plastic van de bovenste walvis en kijk naar de perfecteplaatsjesmensen die de verwarde grommerd geïrriteerd met gewapper proberen weg te jagen. Zouden ze gelukkig zijn? [2] 
    • Met getoeter, gewapper met vlaggen en knallend vuurwerk vierden Turkse Utrechters gisteren op de Amsterdamsestraatweg de zege van Turkije op het EK voetbal. [3] 
    • „Ondertussen begeeft The Tribe zich op glad ijs waar het gaat om de dovenemancipatie en de nog immer voortdurende strijd om de erkenning van gebarentalen. De film lijkt immers het nog altijd hardnekkige vooroordeel te bevestigen dat gebarentalen bestaan uit wat onbeduidend gewapper, vroeger sprak men dan ook over ‘apentalen’. In The Tribe dient het als geinig visueel gedoe dat er verder niet toe doet en dus niet ondertiteld hoeft te worden. [4] 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen