gevatheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·vat·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gevatheid gevatheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gevatheid v [1]

  1. het snel een geestige of prikkelende opmerking kunnen maken
    • ,,Daar geef ik de eer aan presentator Paul de Leeuw. In de tijd dat het programma bestaat, was er ook een periode dat hij in zwaar weer zat. Maar wat je ook van hem vond, in Ranking the Stars bleef zijn ongekende talent onverminderd zichtbaar. Met zijn humor en gevatheid kan hij een perfecte sfeer scheppen; op het randje, net niet eroverheen." [2] 
    • Ook in de snelheid en gevatheid van de debatten zit een tegenstelling. Want eigenlijk is politiek helemaal geen flitsende business van strakke oneliners. Het citaat van de week kwam wat mij betreft van columnist Rob Wijnberg. Hij schreef: “Politiek is precies het omgekeerde van wat we als consument gewend zijn: traag, bureaucratisch en zonder niet-goed-geld-terug-garanties. [3] 
    • Zijn aangeboren gevatheid was ook wapen tegen de oeverloze grappen over zijn rode haar: rooie kroot, spring eens op groen, vuurtoren… [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen