geut

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • geut
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geut geuten
verkleinwoord geutje geutjes

Zelfstandig naamwoord

geut v/m [2]

  1. een niet al te goed afgemeten hoeveelheid vloeistof, meestal snel geschonken uit een fles of kan
     rode ui saus: pel de uien en snij grof. Stoof de ui glazig in olijfolie op een zacht vuur. Kruid met peper van de molen en zeezout. Mix de gestoofde ui samen met een scheut olie en geut azijn tot een frisse gladde saus. Verdeel deze over de borden.[3]
  2. geul, sloot, sleuf, goot, gietgeut
Synoniemen

Gangbaarheid

22 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. geut op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink Weblink bron FELIX WILBRINK op Wikipedia “Recept: gepaneerde dikke asperges” (28 apr. 2018), De Telegraaf
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be